Scholingskamer spreekt zich uit

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

<P>De procedure van behandeling van dergelijke scholingskwesties wijkt op sommige punten af van de reguliere behandeling van bemiddelingsverzoeken. Als je een verzoek tot bemiddeling indient, moet dan ook duidelijk zijn dat het om een scholingskwestie gaat.</P> <B>Procedure</B><br> In het kort ziet de procedure er als volgt uit: <UL> <LI>Je dient het geschil schriftelijk (kan ook elektronisch) bij de scholingskamer in; <LI>De scholingskamer stelt de wederpartij in de gelegenheid zijn standpunt ten aanzien van het voorgelegde geschil kenbaar te maken; <LI>Binnen drie weken na indiening brengt de scholingskamer verslag uit van haar bevindingen en oordeel over hoe het geschil te beslechten; <LI>Als de scholingskamer het nodig vindt dat er een zitting plaats vindt, waarbij beide partijen aanwezig zijn, dan belegt zij deze binnen vier weken na indiening van het geschil. Uiterlijk twee weken na de zitting volgt dan het oordeel van de scholingskamer. </UL> <P>De termijn voor het uitbrengen van het schriftelijke verslag van bevindingen kan, met instemming van beide partijen, met maximaal drie weken worden verlengd.</P> <P><B>Voorbeeld</B><br> De scholingskamers hebben het afgelopen jaar drie verzoeken behandeld. Een voorbeeld:</P> <P><B>1. Keuzevrijheid or</B><br> Een or en zijn bestuurder willen een uitspraak over de vraag wie de keuze voor een or-training/opleiding bepaalt of daar invloed op heeft. Beide partijen stuiten bij herhaling op onderlinge verschillen van inzicht ten aanzien van enerzijds de keuzevrijheid van de or en anderzijds de beslissingsbevoegdheid in deze van de bestuurder. </P> <P><B>Oordeel scholingskamer</B><br> Een or kan – in beginsel en binnen het redelijke – zelf bepalen hoe hij de dagen die hij nodig acht voor scholing en vorming (inhoud en duur, scholingsinstituut, tijdstip en plaats), invult . De term ‘in beginsel’ impliceert dat de or binnen de wettelijke minima zelf het aantal benodigde dagen voor scholing en vorming kan vaststellen, maar dat voor meer dagen scholing en vorming dan het wettelijke minimum de instemming van de ondernemer nodig is. De term ‘binnen het redelijke’ betekent dat zolang de totale kosten in lijn liggen met een bedrag dat gelijk is aan het richtbedrag van de SER-Commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM), vermenigvuldigd met het aantal scholingsdagen (of dagdelen), die kosten in beginsel als redelijkerwijs noodzakelijke kosten moeten worden aangemerkt. </P> <P>De scholingskamer wijst de bestuurder er voor de volledigheid nog op dat scholing en vorming van or-leden zich (in elk geval) in die zin onderscheidt van scholing van het personeel in algemene zin, dat het de or zelf is die zijn scholingbehoefte moet bepalen. Als de ondernemer en de or er niet in slagen om het met elkaar eens te worden over de vaststelling van het aantal uren en/of dagen, dan kan alsnog een verzoek worden gedaan aan de kantonrechter op grond van artikel 36, lid 2 WOR. <br> <I>Bron: Bemiddelingverzoek BC MI 14.007 (sector: dienstverlening)</I></P> <P>Ook verschil van mening over een scholingskwestie en kom je er niet uit met de bestuurder? Leg het eens voor aan de scholingskamer.<br> Contactgegevens scholingskamer:<br> Secretariaat bedrijfscommissies<br> Postbus 90405, 2509 LK Den Haag<br> 070 – 3499 561 <br> markt-I@bedrijfscommissie.nl <br> markt-II@bedrijfscommissie.nl<br></P> <P><B><I>Dit is een fragment uit het artikel ‘Scholingskamer spreekt zich uit’, gepubliceerd in <A href="https://ornet.test.vakmedianet.com/?subject=abonneren">OR informatie</A>, juni 2015</I></B></P>

Lees meer over

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.