Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?
Transnationale dienstverleners hoeven zich niet onder
alle omstandigheden te houden aan collectieve arbeidsovereenkomsten van het
‘werkland’.
Dat blijkt uit de uitspraak van het Europees Hof van
Justitie in een zaak tussen de deelstaat Nedersaksen en een Duits
bouwbedrijf.
Het bouwbedrijf had via een Poolse onderaannemer 53 Poolse werknemers
ingeschakeld bij de bouw van een gevangenis in Göttingen-Rosdorf. De Polen
kregen nog niet de helft van het minimumloon dat in de bouw-CAO in Nedersaksen
geldt.
In de zaak staat de vraag centraal in hoeverre
‘buitenlandse’ dienstverleners zich moeten houden aan de
arbeidsvoorwaarden
die gelden in het
EU-land waar zij tijdelijk werk verrichten. En daartegenover de vraag hoe ver
EU-landen mogen gaan bij het opwerpen van belemmeringen voor het
vrije-dienstenverkeer binnen de Europese Unie.
De Europese richtlijn over de terbeschikkingstelling van werknemers bepaalt
dat transnationale dienstverleners “een kern van dwingende bepalingen voor
minimale bescherming” in acht moeten nemen als zij tijdelijk werknemers
stationeren in een ander EU-land. De manier waarop deze ‘kern’ wordt
vastgesteld, moet aan bepaalde voorwaarden voldoen.
In Nedersaksen geldt een bouw-CAO waarin afspraken
staan over het minimumloon. Maar deze CAO
is niet algemeen verbindend verklaard. Bovendien
wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende deelsectoren in de bouw. Ten
slotte is deze regeling alleen van toepassing op overheidsopdrachten.
Op deze drie punten handelt Nedersaksen in strijd met de richtlijn, vindt het Hof.
Het Hof verwijt Nedersaksen onder meer dat het niet kan aantonen waarom een
bouwvakker slechts de afgesproken bescherming nodig heeft wanneer hij werkt aan
een overheidsopdracht.
Bron: NRC Handelsblad